Raderwerk
|
|
|
Do’s
en don’ts bij techniekpromotie in het basisonderwijs
Korte
omschrijving ‘Techniek
in actie’ – beter bekend als T-actie - is een promotieproject om techniek
onder de aandacht te brengen van leerkrachten en leerlingen in het
basisonderwijs in de regio Rijnmond Rotterdam en Drechtsteden. Het project loopt
nu twee jaar en wordt – behalve door AXIS – financieel ondersteund door de
Stichting WeTeN, Kies Techniek, VSB en de Kamer van Koophandel Rotterdam. In het
eerste jaar stond het project ‘Aan de rol met transport’ centraal. Van dit
project vindt U een good practice in deze gereedschapskist (link met deze good
practice maken). In het tweede jaar
draaide alles om het project ‘Productie
in de maak’. Het
project is een onderdeel van het project ‘Hand in Hand voor de Techniek’
waarin meerdere, mede door Axis gefinancierde projecten samenwerken. De
Stuurgroep Hand in Hand voor de Techniek, die al enige jaren met steun van de
Kamer van Koophandel en onder de paraplu van de Stichting Kennisinfrastructuur
Mainport Rotterdam (KMR) actief is om de techniek te promoten, functioneert als
een regionaal platform waarin alle betrokkenen trachten een ketenbenadering te
realiseren. Het
project T-actie sluit aan bij de kerndoelen techniek en heeft derhalve per jaar
een wisselend thema. Kernwoorden bij het project zijn: techniek,
lesontwikkeling, techniekwedstrijd, attitudeverandering, overdracht.
Een centrale voorwaarde om het project te laten slagen, is het opbouwen van
een goede communicatie met scholen voor primair onderwijs zodat deze – ondanks
een overvolle agenda en een onbekendheid met techniek(onderwijs) –
participeren in de projecten die T-actie ontwikkelt. Een goede communicatie met
scholen blijkt in de praktijk echter niet gemakkelijk te realiseren. In deze
good practice wordt een overzicht gegeven van de wijze waarop in de afgelopen
twee jaar vanuit het project ‘Techniek in actie’ is geprobeerd om scholen
voor primair onderwijs te bewegen
om te participeren in het techniekpromotieproject en van de lessen die daar uit
zijn geleerd. Daarbij moet onmiddellijk de kanttekening worden gemaakt dat het
project er nog steeds niet in is geslaagd om een substantieel aantal scholen
voor primair onderwijs te bewegen om deel te nemen. Het doel van de good
practice is dan ook niet het presenteren van oplossingen die zich in de praktijk
bewezen hebben, maar het geven van inzicht in de problematiek van het benaderen
van het primair onderwijs vanuit een projectbureau voor techniekpromotie. De good practice maakt duidelijk
dat scholen in Rijnmond overspoeld worden door de vele acties die worden
aangeboden. De scholen staan echter onder grote druk met betrekking tot de
personele problematiek: vacatures, ziekteverzuim en inval. Het gevolg is dat er
in organisatorisch opzicht nog wel eens wat mis gat. Vooral de interne en
externe communicatie verloopt zeer
matig. Daarbij komt dat de affiniteit van de leerkrachten in het basisonderwijs
met techniek gering is. De scholen zijn overigens, nadat ze eenmaal over de
streep getrokken zijn, zeer betrokken en enthousiast ten aanzien van het
project. Uit de ervaringen tot nu toe kunnen we de volgende conclusies trekken: ·
Techniekpromotie in het basisonderwijs is een zaak van lange adem. Om
door te dringen in de schoolorganisatie moet langdurig en consistent met de
scholen gecommuniceerd worden. ·
De scholen in Rijnmond geven aan door personeelsproblematiek (vervanging,
vacatures, werkdruk etc.) weinig tijd te hebben voor extra activiteiten binnen
de school. Derhalve is de deelname aan activiteiten die ‘van buiten af’
worden aangeboden, gering. ·
De communicatie met de scholen gaat zeer moeizaam. Dit is deels te wijten
aan de communicatiecultuur in het basisonderwijs (die niet zo naar buiten
gericht is), deels aan de onervarenheid van projectbureaus voor techniekpromotie
(die zich tot nu toe nauwelijks met het basisonderwijs hebben beziggehouden).
Aanpak in het
eerste projectjaar Het
eerste projectjaar liep van oktober 1999 tot en met juni 2000. Het doel was
basisscholen in een eerste fase met behulp van Pabo-stagiaires twee
technieklessen te laten ontwikkelen. In een tweede, verdiepende fase zouden
basisscholen een lespakket over techniek ontwikkelen dat tenminste uit 6 lessen
bestond. Vanuit het projectbureau ontvingen de scholen ondersteuning op diverse
onderdelen. De meest in het oog springende waren een bedrijfsbezoek of gastles
ter waarde van ƒ500,- , een subsidie van ƒ 400,- ten behoeve van het aankopen
van ondersteunend materiaal, en een spetterende slotdag met een aandenken voor
alle deelnemers. In de
startfase (oktober t/m november) werd
de doelgroep bepaald: alle 370 basischolen in de regio Rijnmond Rotterdam en
Drechtsteden. Tevens werd een programma-ontwikkelteam geformeerd ter
ondersteuning van de projectleider. Dit team bestond uit vertegenwoordigers van
de Stichting Kennisinfrastructuur Mainport Rotterdam (KMR), Technika 10, de
gemeente Schiedam, de Hogeschool Rotterdam (Pabo), het Educatief
Informatiecentrum Mainport Rotterdam en de Belangengroep Ondernemingen Rotterdam
(BOR). Dit team – dat overigens nog steeds functioneert - denkt mee in de
ontwikkeling van het plan, de uitvoering en de communicatie erover naar het
basisonderwijs. In deze fase werd ook de projectbrochure gemaakt. In
december t/m juni werd de projectbrochure met een begeleidende brief verspreid
onder de basisscholen verspreid en werden degenen die wilden deelnemen
uitgenodigd deel te nemen aan een workshop ter ondersteuning van het programma.
Tijdens de workshop zouden een aantal lessuggesties, zoals vermeld in de
projectbrochure, worden uitgevoerd. De workshop is gehouden in februari 2000. De
verzending van de projectbrochure plus brief gebeurde op naam van de school
omdat slechts een beperkt aantal contactpersonen bekend was. Het doel was
overigens om te verzenden op naam van contactpersonen zodat een grotere respons
zou worden bereikt. Tegelijkertijd
werd aan de website van KMR een aantal pagina’s over T-actie toegevoegd.
Tevens werd nagedacht over de vorm en inhoud van een informatiebrief die
gedurende het project de deelnemende scholen geïnformeerd zou houden over de
stand van zaken en die iedere 6 á 7 weken zou verschijnen. Tenslotte werd
contact gelegd met de Pabo’s. Op
basis van de mailing aan het basisonderwijs (370 potentiële deelnemers) in
januari 2000 kwamen 7 reacties binnen. Het resultaat werd bereikt in februari
(ongeveer 3 weken na de mailing). Ter stimulering van de basisscholen werd
daarop een nieuwe informatiebrief met verdere informatie over het project (met
daarin vooral grotere nadruk op de geldelijke ondersteuning). Het resultaat van
deze extra mailing leverde geen extra aanmeldingen op en slechts één aanvraag
om nadere informatie. Leermomenten Deze resultaten waren wel
erg mager. Om de redenen voor de lage respons te achterhalen, is een
telefonische enquête afgenomen waarin werd gevraagd naar: §
de redenen om niet deel te nemen §
bekendheid met de actie §
de behoefte aan techniekpromotie binnen de school §
de contactpersonen binnen de school Daarbij werd meteen ook geïnformeerd
wie is bij de school het aanspreekpunt inzake techniek is. Voordat we de resultaten
bespreken, moet eerst opgemerkt worden dat deze enquête eigenlijk afgenomen had
moeten worden vòòrdat de scholen voor de eerste keer benaderd werden. Hieruit
blijkt de onervarenheid van het projectbureau wat betreft basale
marketingtechnieken: ‘leer eerst je klant grondig kennen’. Het
eerste wat bij de telefonische enquête opviel, was de slechte bereikbaarheid
van het basisonderwijs. Als de telefoon al wordt opgenomen dan bleek de
gesprekspartner buitengewoon divers: een leerling uit groep 8, een hulpouder,
een conciërge, een leerkracht of directeur. Ondanks deze diversiteit hadden ze
één ding gemeen: ze konden de beller niet helpen want de kennisdrager was
afwezig. Een telefonische afspraak maken liep voor 80% fout: afspraken dan wel
de inhoud ervan werden niet doorgegeven. Deze ervaring zorgde voor een moeizame
en zeer veel tijd vergende uitvoering. Door de beperkte beschikbare tijd zijn
zo’n 25 scholen benaderd. De benaderde scholen zijn willekeurig uit de
adreslijst (op gemeente gesorteerd) gekozen. Uit elke gemeente zijn een aantal
scholen gebeld. Ook
hier moet wederom gewezen worden op de onervarenheid van het projectbureau: er
was te weinig tijd gereserveerd voor het benaderen van de basisscholen zodat er
– toen een benadering per telefoon niet goed bleek te werken – geen tijd
over was voor een andere, meer arbeidsintensieve wijze van benaderen. De enquête leverde de volgende
antwoorden op: ·
De personeelsproblematiek in het basisonderwijs is te groot; vacatures,
inval wegens ziekte ·
Er lopen reeds verschillende projecten ·
De startdatum is te laat, de resterende tijd is te kort ·
De werkdruk op school is te hoog ·
Geen belangstelling voor het thema transport ·
Geen belangstelling voor techniekprogramma’s De conclusie
van de eenvoudige belronde was dat het basisscholen erg intern gericht bezig
zijn: ze moeten zeer veel energie spenderen aan het oplossen van
schoolorganisatorische problemen. Daardoor lijkt er weinig tijd en
energie over te blijven om naar buiten te communiceren. De contactpersonen van
de scholen zijn uiterst vriendelijk, maar niet publieksgericht. Inhoudelijk ten
aanzien van T-actie zijn natuurlijk ook diverse opmerkingen gemaakt die
hieronder verwoord staan als verbeterpunten die in het nieuwe programma zijn
opgenomen: ·
het project is een ontwikkeltraject en vraagt van de leerlingen en
leerkrachten een tijdsinvestering. Dit kan wringen met de praktijk. Er zal naast
de ontwikkelmodules ook een meer uitgewerkte module in de folder worden
gepresenteerd; ·
de start komt te liggen in september. De planning van de actie kan dan
volledig worden aangepast aan de planning van de school; ·
de workshops worden in september of oktober gehouden; ·
door de vervroeging van het programma kan er een betere aansluiting
worden gevonden bij het stageprogramma van de Pabo’s; ·
er wordt extra aandacht gegeven aan de herkenbaarheid van de folder en de
overige uitingen; ·
de adresbestanden met contactpersonen moeten gecompleteerd zodat
projectinformatie op naam verstuurd kan worden. Een mailing op naam zorgt voor
een hogere attentiewaarde bij de geadresseerde en de mailing gaat niet zwerven
door de organisatie. Mede door de gebrekkige communicatie met het basisonderwijs
bleek dit evenwel geen sinecure; ·
er moet extra aandacht aan herkenbaarheid besteed worden. Als gevolg van
deze uitkomst is met een onderwijsmarketeer en een communicatiedeskundige
gesproken over mogelijke verbeteringen in de folder en andere communicatieve
uitingen. Aanpak in het
tweede projectjaar In het tweede projectjaar
werden de 370 basisscholen uitgenodigd een aantal technieklessen te ontwikkelen
met als thema productie. Er was een folder ontwikkeld waarin 6 lessuggesties
staan om met het thema aan de slag te gaan. De scholen werd dezelfde
ondersteuning als in het eerste projectjaar in het vooruitzicht gesteld met als
extraatje een compleet lespakket voor de eerste dertig aanmeldingen. Het gaat
hierbij om lespakketten van C3 (een stichting ter promotie van de chemie in het
onderwijs), Technika 10 (techniekpromotie bij meisjes) en Legodacta. Deze
lespakketten vormden ook het hart van de workshops.
Het
resultaat van de eerste mailing (de projectbrochure) bedroeg 14 deelnemende
scholen. Om na de verzending van de brochure nogmaals de aandacht op het project
te vestigen is gekozen om in de laatste week voor de kerstvakantie een
herinnering/kerstkaart te sturen. De kaart sluit qua vormgeving aan bij de
projectbrochure en was derhalve zeer herkenbaar als een uiting van T-actie. In
de kaart is een schep confetti gestopt zodat bij opening van envelop en kaart
een hoge attentiewaarde verkregen wordt. Op basis van deze mailing kwamen nog
een 5-tal belangstellenden. Na telefonisch en schriftelijk contact met deze
scholen heeft dit echter niet geresulteerd in een deelname voor dit jaar.
Redenen hiervoor waren erg vaag. Drukte, organisatorische problemen etc. Vaak is
de wens geuit om het komende jaar mee te doen. Leermomenten
De
vervroegde mailing (september) en de kleurrijke folder alsmede de
herinnering/kerstkaart hebben geresulteerd in een iets grotere deelname dan in
het eerste jaar. Met name de kerstkaart heeft een grote attentiewaarde gekregen
door de schep confetti in de envelop. De confetti zorgde voor een feestelijke
ervaring tijdens het openen van de kaart. In de tekst van de kerstkaart was
opgenomen een persoonlijke ondertekening van een der leden van het
programmaontwikkelteam en de mededeling dat deze contact zou opnemen met
de school. Dit contact met de school is er niet in alle gevallen geweest. De
beperkte bereikbaarheid van de school is hier debet aan maar ook de beperkte
tijd van de leden. De actie van gratis lespakketten voor de eerste 30 deelnemers
is positief beoordeeld door de deelnemers, maar beïnvloedde de keuze tot
deelname niet. We hebben voor het derde projectjaar
de volgende verbeterpunten geformuleerd:
·
we moeten een georganiseerde excursie aanbieden (Museum voor Communicatie
omdat het thema van het derde projectjaar communicatie is). In het themajaar
productie viel het niet mee om bedrijfsexcursies te realiseren. Met een
totaalaanbod kan de relatie bedrijven en scholen worden aangebracht; ·
de scholen een leskist laten maken in plaats van een lessencyclus. Om
afwisseling aan te brengen in de opdracht is nu gekozen voor een leskist. Op
deze manier kunnen de gemaakte lessen niet in een klapper onder een stapel
papier verdwijnen (een veelvoorkomend verschijnsel in de klas); ·
een verbeterde website met een eigen T-actie onderdeel. De huidige site
is niet dynamisch genoeg en biedt te weinig informatie over het project. Een
verbetering hierin kan bijdragen aan een betere informatieverstrekking en
wellicht deelname; · een verbeterde nieuwsbrief met illustraties. Het gaat hier om een proces van voortdurende verbeteringen; ·
een combinatie tussen en/of samenwerking met de workshop van T-actie en
de techniekworkshops van het Centrum voor Educatieve
Dienstverlening te Rotterdam. De CED gaf in het jaar 2000 diverse
techniekworkshops voor leerkrachten. Een bundeling van krachten is de intentie
van beiden; ·
uitbreiding van het aantal deelnemende Pabo’s. De Leidsche Hogeschool
heeft aangegeven dat zij zich ook actiever wil manifesteren richting techniek en
het primair onderwijs. De stagiaires kunnen dan bijdragen aan de
ontvankelijkheid jegens techniek op de basisscholen; ·
aanbieden van persoonlijk bezoek aan de scholen. Door het aanbieden van
persoonlijke contact kan de deelname aan het project worden vergroot. Het is een
extra middel dat overigens een enorme tijdsinvestering vergt. De haalbaarheid is
nog onbekend; ·
in het programma meer aansluitingspunten maken voor de vrouwelijke
leerkrachten (ruim driekwart van het onderwijzend personeel in het
basisonderwijs is vrouw en hun affiniteit met de techniek lijkt gering). Er zijn
geen harde gegevens met betrekking tot de “mannelijke uitstraling” van de
folder, maar een extra aandacht voor dit gegeven kan nimmer kwaad. Tenslotte Wat deze good practice duidelijk
maakt is dat er in projecten veel geleerd wordt maar ook dat er in projecten
vaak nog weinig ervaring is met het systematisch en weldoordacht organiseren van
zelfreflectie in alle fasen van het projectverloop. Men leert vooral van zijn
fouten, maar dan moeten deze fouten wel goed gedocumenteerd worden én er moet
voldoende tijd worden uitgetrokken voor het trekken van de juiste lessen uit de
gemaakte fouten. Deze tijd wil nog wel eens ontbreken, niet in het minst omdat
er in projectvoorstellen geen tijd voor is begroot én omdat er – zeker tot
voor kort – ook geen cultuur van systematische zelfevaluatie bestond in de
non-profitsector. Nadere
informatie Projectleider
T-actie: Aart J.
Tijhof
RaderwerkCricketpad 163223 EB Hellevoetsluis
Telefoon
:06 244 52 484
E-mail :www.info@raderwerk.com
Deze
good practice is geschreven door Aart J. Tijhof en Frans Meijers, Meijers
Onderzoek en Advies, Prinsenlaan 24, 6542 TB Nijmegen (fmeijers@worldonline.nl)
|
|
U kunt een e-mailbericht met vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan a.j.tijhof@zonnet.nl.
|